Vertrouwen in de mens

Standard

Het is zondagmiddag en we hebben een gezellige dag thuis. Erik zit wat op de laptop te bekijken, ik houd me bezig met mijn schrijfwerk.

Ik kijk eens om me heen. Mijn oog valt op de drie kleine katjes die op de stoel en op de grond liggen. Eén ligt in een kattenmandje te slapen. Ook al zijn ze nog erg schichtig, toch heb ik ze al kunnen oppakken om ze te aaien. Heel voorzichtig beginnen ze dan te spinnen.

Ik denk erover na. Drie kleine katjes die we van de straat afgeplukt hebben. Die opeens vertrouwen moeten hebben in ons, rare wezens mens.

Ik kijk nog wat meer om me heen. Naar onze twee honden die inmiddels een grenzeloos vertrouwen in ons hebben. Zeker onze Durk heeft dat moeten leren.

Toen hij anderhalf jaar (jong) was en ik hem ophaalde in Friesland, was ik zijn vierde baas. Een beschadigd dier, met een enorme verlatingsangst. Weinig vertrouwen in de mens.

Dat ging op een gegeven moment ook mis. Op een dag probeerde hij, via de schuifpui, achter me aan te gaan, toen ik even een kort boodschapje moest doen. Hij belandde in het water. Daar lag hij nog steeds in, toen ik tien minuten later terugkwam.

Ik sleurde hem op de kant. En belde direct daarna mijn vriendin, die een hondenhotel runt. Ik haalde er een maatje bij voor Durk, onze Nando. Toen ging het beter.

Hoe gehecht Durk aan dat hondenmaatje was, bleek toen Nando overleed. Binnen drie dagen zat Durk in zak en as. En haalden we overijld weer een nieuw hondenmaatje, onze Freddie.

Tegenwoordig gaat het beter, heeft Durk langzamerhand meer vertrouwen in de mens gekregen. We kunnen ze, als het strikt noodzakelijk is, een paar uur alleen laten. Echt, alleen als het strikt noodzakelijk is en ook niet te vaak achter elkaar.

Durk heeft het moeten leren; vertrouwen in de mens. De mens waar hij zoveel van houdt, die goed voor hem zorgt. Sinds Erik mijn partner is, is vooral mens Erik de absolute topper voor Durk. Grappig vind ik dat. Zo zoekt de hond zélf zijn lievelings-baasje uit.

Het lijkt misschien zo vanzelfsprekend. Maar op deze rustige zondagmiddag mijmer ik erover dat het toch heel speciaal is; als dier vertrouwen hebben in de mens.

De drie kleine katjes, die we net van de straat afgeplukt hebben, moeten het allemaal nog – stap voor stap – leren. Het is prachtig als ze straks – over een aantal weken – naar hun nieuwe baasjes gaan, met basisvertrouwen in de mens. Dat hebben ze dan bij ons geleerd.

Zoals nu, hebben we ook nog een logeerkat. Een prachtige, lieve, rustige poes. Die ook als kitten bij ons kwam. Gevonden op een bedrijventerrein, onder een container.

Als ik naar haar kijk, terwijl ze nu heerlijk ligt te soezen op onze krabpaal, dan stroom ik over van dankbaarheid en blijdschap. Vertrouwen in de mens. Een machtig mooi iets!

Zeeën van tijd

Standard

We zitten op het terras van de boot met een kopje koffie. Het is pas tien uur ‘s morgens en we hebben al een heleboel gedaan. Met de hondjes bij de sluis van Nieuwe Statenzijl gewandeld. De dagelijkse taakjes gedaan. Erik heeft al een stapel brandhout in kleine mootjes gehakt, voor onze vuurkorf. Terwijl ik de strijk heb weggewerkt.

Erik heeft net een goede vriendin gebeld, om een afspraak te maken voor een lange wandeling samen, met de honden, van haar en ons. Die afspraak maken lukt niet echt, omdat vriendin het zo druk heeft.

We praten daar een beetje over; dat vriendin er misschien toch wel even tijd voor had ‘moeten’ maken, omdat ze zichzelf anders misschien voorbij loopt. Of, omdat een wandeling nieuwe, positieve energie oplevert. Erik zegt letterlijk; “Ik heb letterlijk zeeën van tijd”.

Dat vind ik prachtig, dat Erik dat zegt. Hij heeft het moeten leren. Toen we elkaar leerden kennen, had Erik ook nergens tijd voor. Was hij altijd druk. Met wat eigenlijk? Tijd voor zichzelf nemen, kende hij niet en deed hij ook niet. Het was een bewustwordingsproces, wat veel meer omvatte, dan alleen maar tijd vrij maken. Onthaasten. Aandacht hebben voor de kleine dingen in het leven, en daarvan genieten. Jezelf serieus nemen.

De laatste maanden schoot het er weer een beetje bij in. Reed Erik weer vaker hard, omdat hij dacht dat hij haast had. Genoot hij niet meer zo.

We hadden afgelopen week zomaar spontaan een lang gesprek. We hebben de boel omgegooid. De komende maanden gaat Erik vooral thuis aan de slag en liggen de klussen bij andere mensen even op een laag pitje.

Zodat we weer meer uitkomen bij de zeeën van tijd en álles wat daarbij hoort.

Nu is er nog een nieuwe stap te gaan in het bewustwordingsproces. Want regelmatig even een korte pauze nemen, tussen de werkzaamheden door, dát vindt Erik nog moeilijk. Daar ga ik hem mee helpen.

Uiteindelijk zal ook dat goed komen. Maakt niet uit wanneer. Tenslotte hebben we zeeën van tijd.

Die éne vraag

Standard

Partners zijn elkaars emotionele schuilplaats. Zij moeten zich door de ander gewaardeerd, belangrijk en geliefd voelen.

Elke dag dat ik nu weer opgenomen ben, komt ons kleine Fiatje, met ‘aan boord’ Erik en onze twee honden, Freddie en Durk, het terrein oprijden. Ik zorg voor een kopje koffie. En dan liggen we – afhankelijk van het weer – of samen in het prachtige park wat aan de kliniek grenst. Of we liggen gezamenlijk even op het veel te smalle éénpersoonsbed, op mijn kamer. We kletsen met elkaar. Vertellen elkaar wat we gedaan hebben. Bij mij is dat natuurlijk niet zoveel. Ik luister graag naar de verhalen van Erik, over een opgeruimd huis, of de klussen die hij gedaan heeft. Of bij wie hij ‘s avonds weer uitgenodigd is om een hapje mee te eten. Er zijn veel zorgzame vrienden en kennissen in onze omgeving. Erik hoeft bijna nooit zelf te koken. Af en toe haalt hij een frietje of een pizza. Liefdevol vertelt hij mij dat hij zich nu alweer verheugt op de lekkere maaltijden die ik altijd maak.

Elke dag is het feest, als Erik komt! Mijn maatje, mijn rots in de branding, mijn ontzettend lieve vriend, waarbij ik mag en kan schuilen. Waarbij ik 100% mezelf kan zijn.

Hij mist me. Tegenwoordig redt hij zich wel thuis. Maar is het niet gezellig. En neemt hij weinig tijd voor zichzelf, omdat – juist dan – hij er zo mee geconfronteerd wordt dat ik er niet ben.

Het gaat ons allebei goed, zelfs ondanks dat ik af en toe opgenomen ben. Over de gehele linie zijn we allebei sterker en stabieler geworden. Krijgen we vaak te horen dat we “goed bezig zijn”, met de projecten waarmee we een zinvolle invulling geven aan ons dagelijks leven. Samen overleven we stormen. Samen zijn we een goed team.

We zijn elkaars liefde van ons leven. Zelfs al waren er eerdere relaties, zowel bij Erik als ook bij mij.

We liggen samen op het éénpersoonsbed op de afdeling. Plotsklaps wordt Erik stil. En heel serieus. Met vochtige ogen stelt hij mij die éne vraag: “Wil je met me trouwen”?

Ik antwoord “Ja”, natuurlijk ook met vochtige ogen.

Een prachtig moment. Om niet te vergeten! En – heel symbolisch – juist op die plek waar alles drie jaar geleden begon.

Wat zijn we rijk geworden!

‘Upgraden’

Standard

Een aantal jaren geleden, schreef ik onderstaand artikel. Nu ik toch weer opgenomen ben, vond ik het toepasselijk het te publiceren. Inmiddels is een deel van het artikel alweer achterhaald, in die zin, dat ik de laatste jaren aanzienlijk minder vaak opgenomen hoef te worden. Upgraden noemden mijn hulpverleners en ik het, als ik weer opgenomen werd. Weer wat bijleren.

Mijn aantal opnames op een psychiatrische afdeling is groot. Toch ben ik niet zielig. Weliswaar ben ik chronisch psychiatrisch patiënte, toch ben ik niet een hopeloos geval. Nog altijd is er de hoop op minder opnames, minder hulp nodig hebben. Nog altijd zit er rek in mijn elastiek.

Maar er is ook het groeiend besef dat ik soms een opname nodig heb. Dat ik me daar niet voor hoef te schamen. Het hoort bij mijn ziekte, het hoort nog bij mij als persoon.

Met al mijn opnames heb ik vanzelfsprekend veel medepatiënten meegemaakt. En met die medepatiënten ook de diverse stadia hoe iemand zijn/haar opname ervaart. De ‘eerstelingen’; eerste opname, met de vurige wens “eens, maar nooit weer”.

Het raakt me als mensen dat zo uitstralen en uitspreken. Zo was ik ook, lang geleden. Maar de groep patiënten die vaker opgenomen wordt dan één keer, is veel groter. Met strijd, weerstand, schaamte, voor wéér een opname. Ook herkenbaar. Soms zou ik tegen die mensen willen roepen; “geef het toch op, dat strijden, die weerstand tegen de opname”.

Alleen werkt het niet zo. Acceptatie van je ziekte, acceptatie dat je daarom soms opgenomen moet zijn, is niet een simpel pilletje wat je in kan nemen. Acceptatie kost tijd, heel veel tijd.

Toch ben ik ‘blij’ dat ik op een gegeven moment bij dat acceptatiepunt uitkwam. Het maakt een opname niet leuker – een opname is nooit fijn – maar toch scheelt het om niet te hoeven strijden tegen iets wat onoverkomelijk is. Of je te schamen voor symptomen, die gewoon een onderdeel van je ziekte zijn.

De laatste jaren ben ik me bij opnames bewust dat het bij mijn ziekte hoort. Kan ik opnames beter zien als ‘op de plaats rust’. Ander perspectief, verandering van plek geeft ruimte om te kunnen kijken waar het misgegaan is. En dan niet bij de pakken neerzitten en wachten tot het vanzelf over gaat, want dat doet het namelijk niet. Maar zelf actief bedenken en realiseren hoe het anders, beter, wijzer kan.

De veilige basis van een psychiatrische afdeling gebruiken om later weer vanuit je eigen huis, je eigen leven, de draad op te pakken.

Gelukkig kom ik altijd op dezelfde afdeling terecht bij een opname. De verpleegkundigen kennen me zo langzamerhand. Eén van de verpleegkundigen maakte me laatst het compliment dat ik telkens weer boven mijn problemen weet uit te stijgen. Dat is – denk ik – essentieel. Van de grote groep patiënten die ik meegemaakt heb, zie ik vaak – naast strijd en weerstand – ook het idee dat beterschap gecreëerd wordt door de psychiater, verpleegkundigen, medicatie. Dat is echter maar een heel klein deel van herstel. Heel veel ‘moet’ je zelf doen.

Dat het lange tijd kost, heb ik een periode gezien als verloren jaren. Maar het is een proces wat niet van de ene op de andere dag klaar is. Het is ook een proces van vallen en opstaan, van goede periodes en van slechte tijden. En ik ben er tevreden mee dat ik in tijden van terugval kan terugvallen op een opname. Zonder strijd tegen mijn ziekte, zonder schaamte, maar juist met acceptatie, maar ook een actieve houding om nóg meer te groeien.

Het barstje in jezelf

Standard

There is a crack in everything, that is how the light gets in (Leonard Cohen)

In een Happinez lees ik een artikel over ‘De helende beweging’, van yogaleraar, schrijver en oprichter van De Nieuwe Yogaschool, Johan Noorloos.

Hij stelt dat bovengenoemd citaat precies verwoordt wat hij zelf heeft ervaren.

Juist waar je gebrokenheid voelt, kan een prachtig zaadje voor groei liggen”.

Hij voegt er aan toe, dat persoonlijke groei niets met kennis te maken heeft, maar dat persoonlijke groei je volledig potentieel onderzoeken behelst. “Als je voluit wilt leven, moet je geen kant in jezelf onderbelicht laten”.

Hij gaat ervan uit dat ieder mens een aantal eigenschappen en vaardigheden heeft, die naar voren komen. Heel bewust laat je die bepaalde kant van jezelf zien. Maar er is ook een spiegelbeeld van die vaardigheid. En dat kan voelen als een barstje.

Om te kunnen groeien, moet je naar de bron van je beste eigenschap gaan en ook stilstaan bij het spiegelbeeld daarvan. Waardoor is je beste eigenschap ontstaan? En wat was daarnaast ook?

Ik vind het interessant. En het kost me niet zoveel moeite één van mijn beste eigenschappen te benoemen; mijn vermogen heel goed schrijvend zaken te benoemen, gevoelens te verwoorden op papier.

Als ik terugga in de tijd, in mijn jeugd, toen die eigenschap zich ontwikkelde, zie ik ook haarscherp het spiegelbeeld; het veel minder goed in staat zijn de zaken mondeling te benoemen.

Dat geldt nóg steeds. Ook al ben ik wel een heel eind gevorderd in praten, als ik de keus heb, kies ik er nog steeds voor iets wat moeilijk is op papier, desnoods in briefvorm te benoemen, in plaats van direct een gesprek aan te gaan.

Praten was vroeger niet altijd veilig. Schrijven – het van me afschrijven, maar wel voor mezelf houden – lukte wel. Zo heb ik al van heel jongs af aan geleerd gevoelens op papier te verwoorden.

Nu ik dat spiegelbeeld ontdek, kan ik daarmee oefenen. Toch eens wat vaker proberen in eerste instantie te praten in plaats van veilig uitwijken naar mijn schrijfblok. Het voelt nog eng. Inderdaad als een barstje. Maar, ik vind het een uitdaging om het te proberen te ontwikkelen. Zodat ik (nóg meer) groei!

Zoals Johan Noorloos zegt: “Door ruimte te geven aan die onderbelichte kanten in jezelf, komt er meer evenwicht. Een helende beweging”, noemt hij het. “Omdat je jezelf in al je facetten laat zien. Alles in het licht”.

Nóg een keer loslaten

Standard

Loslaten is machteloosheid toegeven,

Hetgeen betekent dat ik het resultaat niet in handen heb.

Loslaten is niet ontkennen, maar accepteren.

Loslaten is niet spijt hebben van het verleden

Maar groeien en leven voor de toekomst.

Lieve mensen,

Daar zit ik dan weer; zo snel na het ontslag uit mijn vorige opname, ging het de afgelopen weken weer snel bergafwaarts met me. Ben ik te vroeg met ontslag gegaan, de vorige keer? Of is het gewoon een feit dat ik in een slechte periode in mijn leven zit? Met allerlei ingrijpende en aangrijpende gebeurtenissen.

Wat het ook is…zondagavond heeft Erik me weer naar de psychiatrische afdeling gebracht. Hebben we gesprekken gevoerd. Hebben we bewust gekozen voor opnieuw een opname. Omdat het voor mezelf en ook voor Erik niet goed zou zijn, als ik zó in de war, thuis zou blijven.

Het gedicht Loslaten reisde per toeval mee in mijn bagage. De drie bovenstaande fragmenten koos ik uit. Ze zijn bijzonder van toepassing.

Natuurlijk voel ik me heel machteloos. Dat een bepaalde stoornis in mijn hoofd, mijn leven overneemt. Dat ik dingen vergeet. Dat ik gevangen zit in een heel kleine wereld, waar niets van klopt. Waar bijna niets van buitenaf doordringt. En áls het soms wel doordringt, dan met een enorme impact.

Ik kan het niet ontkennen. Daarvoor is het te prominent aanwezig. Ik probeer het te accepteren. Dat valt nog niet mee! Tranen stromen veelvuldig. Regelmatig heb ik korte gesprekjes met de verpleging. En dat brengt me steeds een stapje dichterbij acceptatie. Acceptatie dat ik – naast alles wat ik óók ben – ik toch psychiatrisch patiënte ben. En misschien wel altijd blijf. Net als iemand die diabeet is.

Niet spijt hebben van het verleden? Dat is iets om over na te denken. Als dát me dichter bij groeien en leven voor de toekomst brengt, ga ik dat zeker doen!

De goede toekomst lijkt nog ver weg. Maar elk stapje wat ik voorwaarts zet, brengt me toch dichterbij de toekomst, dat ik weer op een gezonde manier thuis ben. Op mijn prachtige boot. Met Erik en de diertjes. Met mezelf.

Ik doe mijn best…

De kunst van het loslaten

Standard

Erik krijgt een mooi gedicht toegestuurd, van een kameraad van hem. Het gaat over loslaten. Vijftien manieren om los te laten. Het gedicht is geschreven door Nelson Mandela. Als er iemand was, die heeft moeten leren loslaten, dan was hij het natuurlijk wel. Zoals in het gedicht staat: ‘Loslaten is niet anderen kritiseren of reguleren, maar te worden wat ik droom te zijn’. Dat is hem wel gelukt! Een inspirerend mens was hij, met uiteindelijk een prachtig idealistisch leven. Hij heeft het van ver moeten halen. Hij zal zeker zijn moeilijke periodes hebben gekend, waarin het nog niet zo gemakkelijk was om los te laten.

Erik krijgt het gedicht toegestuurd, als hart onder de riem, in een periode dat het moeilijk is met zijn zoon. Een jonge knul, op zoek naar zichzelf. Een puber, die zijn eigen weg wil gaan en die ons daarbij niet nodig heeft. Dat levert bij ons soms hele moeilijke gevoelens op. Verdriet, machteloosheid. Natuurlijk maken we ons zorgen of het uiteindelijk wel goed komt. Soms maakt Erik’s zoon keuzes, die niet goed zijn. Dan is Erik uitermate bezorgd. Dan zouden we van alles willen doen, om die keuzes te voorkomen.

Maar; ‘Loslaten is niet zorgen voor, maar geven om’.

De deur en ons hart staan altijd open! Maar soms moeten we Erik’s zoon écht loslaten. Hem de kans geven zélf te ontdekken wat goed en wat fout is. En, het hoeft ook niet op onze manier. Als hij maar gelukkig wordt. Dan zijn wij ook gelukkig.

Het verleden herhaalt zich. Zelf maakten we, toen we jong waren, ook keuzes, waar onze ouders niet achter stonden. Zelf hadden we ook periodes dat we vooral onze ouders niet nodig hadden. Erik en ik zeggen nu vaker tegen elkaar dat we begrijpen hoe onze ouders destijds daarop reageerden. Dat ze boos waren. Of verdrietig. We begrijpen hun zorgen van toen. Want loslaten is ook; ‘Niet anderen tegen zichzelf beschermen, maar de ander toestaan de werkelijkheid onder ogen te zien’.

Ooit komt er een dag dat Erik’s zoon weer terugkomt. Bij ons. Hoelang het ook duurt. En dan nóg veel later, als hij volwassen is en zelf kinderen heeft, komt er dat besef dat ouders niet vanuit boosheid reageerden op de keuzes die hij als puber maakte. Maar vanuit liefde. De onvoorwaardelijke liefde tussen ouder en kind.

Want, vóór alles geldt: ‘Om los te laten is liefde nodig’.